De Leie en het Leiebiotoop

Wandelroute Monumenten en Landschapszorg v.z.w.©

LeiezichtAlvorens de wandeling voort te zetten, buigt men even langs de Meersstraat af naar de Leie, die hier slechts honderd meter vandaan ligt. Aan de linkerzijde van de weg bevindt zich de zogeheten "Leiebiotoop", een natuurgebied op gedeeltelijk alluviaal terrein.

Het sluit aan op de 'Leiemeersen', een laaggelegen weidelandschap met waardevolle moerasvegetatie tussen aanplantingen van wilg, es en populier.

Het typisch Leielandschap is in essentie een product van de jongste ijstijden. Een forse daling van het zeeniveau gaf ruim een miljoen jaren geleden het ontstaan aan uitgestrekte rivierdalen zoals de Vlaamse vallei, waarvan de Leievallei deel uitmaakt.


Leiebiotoop In een periode die ruwweg begrensd wordt door de jaartallen 20.000 en 8.000 v.C. hadden barre klimatologische omstandigheden een grote verwering tot gevolg. Het aldus gevormde puin vulde de beddingen van de rivieren op, die daardoor een kleiner verval kregen en een minder rechtlijnig verloop. Toen na 8.000 v.C. de temperaturen stegen, ging de waterspiegel van de Noordzee door smeltwater omhoog en werden de riviervalleien in toenemende mate opgevuld met aanslibbingsmateriaal. De Latemmeersen zijn gelegen op deze alluviale vlakte die pal naast de rivier ligt en waarvan de breedte schommelt tussen enkele honderden meters en enkele kilometers. Deze kleihoudende moerassige gronden, slechts luttele meters boven de zeespiegel gelegen, worden voornamelijk als weidegebied gebruikt. Op de schaarse zandige stukken die boven het alluvium uitsteken, komt echter ook landbouw voor. De alluviale vlakte werd en wordt begrensd door relatief hoge stuifzandduinen en lagere kouter- of dekzandruggen.

 

Het tempelhof In het verleden waren deze landschappelijke karakteristieken duidelijker afgetekend dan thans, nu er op sommige plaatsen nieuwe bebouwing verrijst. Het grootste deel van de wandeling verloopt echter doorheen het oude duinengebied. Voorlopig volstaat het op te merken dat de leemhoudende dekzandruggen zich het best leenden voor de landbouw en dat de landbouwnederzettingen zich als vanzelfsprekend vestigden in de overgangszone tussen de vochtige meersen en het drogere, hoger gelegen land. Het was immers duidelijk dat de alluviale gronden niet geschikt waren voor landbouw en evenmin voor woningbouw. De meersen dienden dan als hooiland, de duinen als graaszone voor de veestapel en de kouters als landbouwgrond. De kouters geven ook nu nog een open landschap te zien, verdeeld in vierkante percelen. Deze blokvormige verdeling stond in verband met het middeleeuwse drieslagstelsel, waarbij cyclisch een gedeelte van het landbouwareaal braak bleef liggen. De meersen daarentegen vertonen een halfopen beplanting met schermen van schietwilg, eis, populier en knotwilg. Men vindt er een rijkdom aan flora als dotterbloem, pinksterbloem, moerasspirea en anderen en vogels als blauwe reiger, wilde eend, ooievaar, kievit, buizerd en kiekendief.

De Leie, de «Golden River»

Sint-Martens-Latem is voor velen onlosmakelijk verbonden met de Leie. Deze rivier ontspringt in Frankrijk in Lisbourg op de Artesische hoogvlakte. Vervolgens vloeit ze in oostelijke richting naar Gent, waar ze in de Schelde uitmondt.

Een zicht van de LeieIn de loop der eeuwen speelde de Leie een belangrijke rol als vervoeras. Zo gebruikten de Noormannen de rivier om in het binnenland te kunnen doordringen. Later diende ze als transportweg voor het vervoer van graan van Artesië naar Gent.

Om de bevaarbaarheid van de Leie te verhogen werden al vroeg belangrijke infrastructuurwerken uitgevoerd.

Door de Engelsen werd de Leie de "Golden River" genoemd, een naam die ze te danken had aan de vlasnijverheid. Met de vezels van de stengels van de vlasplant kan, na de nodige bewerkingen, linnen vervaardigd worden. Eén van de essentiële onderdelen in dit proces was het zogenaamde 'roten' van het vlas. Hierbij worden de stengels in water ondergedompeld, waardoor de samenhang van de vezels verminderd wordt. Dit gebeurde door houten rootbakken, gevuld met vlasstengels en stenen omwille van het gewicht, gedurende één a twee weken in de Leie onder te dompelen.

Dat deze industrietak dergelijke omvang kon aannemen, was in niet onbelangrijke mate te danken aan het trage verval van het Leiewater. Door een te sterke stroming zouden immers de bacterieën, die voor het rottingsproces zorgen, weggespoeld worden en zou er teveel bodemvuil losgewoeld worden dat het vlas dan weer zou verontreinigen. Daarnaast mag niet vergeten worden dat de Leie arm aan kalk en ijzer is. Kalk zorgt er immers voor dat de vlasvezels te hard worden en de aanwezigheid van ijzer doet roestvlekken op het vlas ontstaan.

Rond 1913 bereikte de vlasnijverheid haar hoogtepunt. In dat jaar werd meer dan 120 miljoen kilogram vlas in de Leie geroot. Maar het vlasroten bracht ook een aantal problemen met zich mee. Waterbevuiling met vissterfte en moeilijkheden voor blekerijen en brouwerijen tot gevolg, hindernis voor de scheepvaart en een alom tegenwoordige zure rootgeur leidden ertoe dat doorheen de eeuwen telkens opnieuw gedebatteerd werd over de aanwezigheid van de vlasindustrie. Dit alles leidde in 1943 tot een definitief verbod, waardoor de vlasnijverheid teloor ging ondanks pogingen om vlas te roten in betonnen bakken waarin geen Leiewater meer werd gebruikt.