![]() |
Wandelroute Sint-Martens-Latem & Deurle |
| Home | Inleiding | Sint-Martinuskerk | De Latemse School | De Leie | Het Tempelhof | De Golf van Latem | Kasteel van Deurle | Sint-Aldegondiskerk | Dorpstraat (Deurle) | Kapitteldreef (Deurle) | Koutermolen | |
De Latemse SchoolWandelroute Monumenten en Landschapszorg v.z.w.© Het is hier de plaats om even stil te staan bij het kunsthistorisch belang van de gemeenten Latem en Deurle. In 1924 werd te Sint-Martens-Latem een grote retrospectieve tentoonstelling georganiseerd, die in overzicht de artistieke productie van de voorbije decennia toonde. Het was deze tentoonstelling die de term Latemse School canoniseerde. Sindsdien zijn vele jaren voorbijgegaan en spreekt men gemakshalve van de eerste en de tweede Latemse School. De eerste groep leunde met haar meditatief werk, veelal religieus geïnspireerd en sterk grafisch van aard, aan bij het symbolisme. De kunstenaars van de tweede groep werkten eerst in impressionistische trant en gingen later een eigen neo-expressionisme aankleven, het Vlaams expressionisme. Wegbereider van de eerste "School" was de landschaps- en dierenschilder Xavier De Cock (1818-1896), die te Parijs in aanraking was gekomen met Daubigny en andere schilders van Barbizon. Het begrip 'Latemse School' is trouwens rechtstreeks geënt op het begrip 'Barbizon'. De Cock woonde in Deurle van 1860 tot aan zijn dood. Zijn vriend Albijn ('Binus') Van den Abeele (1835-1918) was verscheidene jaren burgemeester van Sint-Martens-Latem, waarna hij gemeentesecretaris werd. Daardoor was hij goed geplaatst om een bescheiden mecenaat uit te oefenen tegenover ingeweken kunstenaars, die hij als amateur-kunstschilder een warm hart toedroeg. Tot die eerste groep behoorden o.m. Valerius de Saedeleer, George Minne, Karel en Gustave van den Woestyne en Julius De Praetere, benevens de musicus Paul d'Acosta. Albert Servaes staat eigenlijk tussen de twee scholen in.
De meeste kunstenaars van deze tweede generatie gingen tijdens de Eerste Wereldoorlog in ballingschap naar het buitenland, waar zij niet zelden in moeilijke omstandigheden moesten overleven. Getekend door hun ervaringen konden zij daarna geen rimpelloze aansluiting meer vinden met hun vroegere artistieke loopbaan. De meesten kozen de stijlrichting die bekend is geworden als het Vlaams expressionisme. Nagenoeg alleen Maurice Sys en Leon De Smet knoopten weer aan bij hun neo-impressionistisch verleden. Edgard Gevaert en Evarist De Buck dienden zich aan als nieuwe inwijkelingen. Na de Tweede Wereldoorlog werd de fakkel overgenomen door een aantredende generatie met vertegenwoordigers als Hendrik Caspeele, Hubert Malfait en de dichters Richard Minne en Jozef De Belder. Naast de kerkhofmuur staat het gemeentehuis, in 1939 opgericht in neo-traditionele baksteenarchitectuur, compleet met trapgevels, kruiskozijnen, rondboogdeuren en steunberen. Architect was Edmond Claeys. Boven de hoofdingang prijkt een klein reliëf met Sint-Martinus. |