Het witgeschilderde kerkje staat er sinds de restauratie van 1989-90 als
nieuw bij, terwijl de stichting toch tot het begin van de 12de eeuw teruggaat. In 1121
werd de kerk onder het patronaat van de Gentse Sint-Baafsabdij geplaatst. In aanleg was
het dus een Romaans bedehuis en daarvan vindt men nu nog sporen aan de vensters in de
middenbeuk en aan de zware, vierkante pijlers in Doornikse breuksteen.
Dit bouwmateriaal kon men via de Leie vrij makkelijk tot hier
aanvoeren.Dat oude kerkgebouw had met het huidige gemeen dat het een kruiskerk
met een - toen weliswaar achthoekige - vieringtoren was. Ze behoorde echter tot het
basilicatype, dat wil zeggen dat de twee zijbeuken een lagere hoogte hadden dan de
middenbeuk. In de 17de en 18de eeuw kende het gebouw diverse verbouwingen. Het werd
westwaarts verlengd en de zijbeuken kwamen onder één dak met het schip, zodat een
pseudo-hallekerk ontstond. Het jaartal 1771 op de deur verwijst naar één van deze
verbouwingen waarbij ook de vierkante vieringtoren werd gebouwd. Vlak voor de
eeuwwisseling, in 1898-1899, realiseerde architect J. Van Assche een laatste verbouwing in
neogotische trant waarbij de zijbeuken verbreed werden en overkluisd met afzonderlijke
zadeldaken. Tevens werd het dak van het schip vernieuwd en het bepleisterde plafond
vervangen door een spitsbooggewelf.
Tenslotte werd toen eveneens aan de zuidzijde een
traptorentje en aan de noordzijde een doopkapel in neogotische stijl aangebouwd.
Door de relatieve duisternis binnenin valt de hybridische samenstelling
van het interieur niet dadelijk op. Het is een mengsel van Romaanse, barokke en
neogotische elementen, aangevuld met creaties van Latemse kunstenaars.
De neogotische spitsgewelven in verzorgd schrijnwerk worden
geschraagd door vierkante natuurstenen pijlers. Merk op dat de hoogte van de zijbeuken
lichtjes geringer is dan die van het schip.
Het interessantste meubilair dateert uit de 18de eeuw en omvat een
rococopreekstoel met dubbele trap en een biechtstoel, beiden gemaakt door de Gentenaar
Jacob Martens. De biechtstoel wordt bekroond door afbeeldingen van Petrus en de kraaiende
haan.
De predikstoel staat een beetje weggedrumd in een hoek, naast het
rechtse zijaltaar. Als kuipsteun fungeert een witgeschilderd houten beeld. Deze
vrouwefiguur personifieert de Heilige Kerk, getuige de pauselijke tiara naast haar en de
opengeslagen bijbel in haar hand. De eerste symboliseert de katholieke orthodoxie, de
tweede vermeldt regel 11-8 uit het Boek der Psalmen, "Lucerna pedibus meis Verbum
tuum", wat men vrij kan vertalen als : 'Als een licht wijst uw woord de weg'.
De drie houten altaren, beschilderd in marmerimitatie, werden geplaatst
in de loop van de 17de en 18de eeuw. Het schilderij van het rechteraltaar, aan
Sint-Martinus gewijd, is een vrij recente schepping van Maurits Schelck uit 1966. Het
stelt de liefdadigheid van de heilige voor die in de 4de eeuw leefde. In de tijd voor hij
bisschop van Tours werd, zou hij als Romeins soldaat zijn mantel gedeeld hebben met een
bedelaar. Het paneel van Maurice Schelck heeft maar weinig
gemeen met het bekende doek van Antoon van Dijck. Het lijkt wel of hij het verhaal van
Martinus heeft willen combineren met dat van Paulus, die andere Romein, die door de Heer
van zijn paard geslingerd werd.
Het hoofdaltaar, eveneens toegewijd aan de patroonheilige van de kerk,
wekt met zijn tere kleuren en kleine afmetingen een ietwat vreemde indruk. Het altaarstuk
is een schilderij van Antoon van den Heuvel waarop de Tenhemelopneming van Maria staat
uitgebeeld. Zowel dit schilderij als het hele altaar, te dateren omstreeks 1650, zijn
afkomstig uit het Gentse Sint-Barbaraklooster.
Het schilderij van het linkse zijaltaar werd in 1900 geschilderd door
Gustaaf van den Woestyne.
Deze broer van Karel van den Woestyne behoorde
tot de eerste Latemse School en schilderde overwegend religieuze onderwerpen. Hier schenkt
Maria haar rozenkrans aan de heilige Dominicus. Ten gevolge van de hiëratische opstelling
van de twee figuren doet het schilderij neo-Byzantijns aan, een atmosfeer die nog
versterkt wordt door de egaal gouden aureoolschijven en de koele kleuren. Het
introspectieve karakter van het werk staat in contrast met de wat frivole barokomlijsting.
Achterin de kerk ziet men nog een merkwaardige grafsteen uit 1673. Het Lovaertorgel van
1861 rust op een doksaai uit 1925.
Vertoeft men even op het kerkhof, dat wordt afgesloten door een fraai 18deeeuws hek,
afkomstig van het kasteel van Deurle. De huidige
witgekalkte muren en hekpijlers dateren van de heraanleg in 1965. In de hoek aan de
linkerzijde van de kerkdeur rust baron George Minne
(1866-1941) onder een grote treurwilg en een bronzen beeld, repliek van een eigen werk.
Wandelt men even rond de kerk, dan ziet men tegen de oostgevel van het noordertransept
oude metselaarstekens in verglaasde baksteen. Een kalvariegroep in terracotta versiert de
afsluitingswand van het koor. Naast de zuidgevel van het bedehuis vindt men het goed
onderhouden graf van Albijn Van den Abeele
(1835-1918), oud-burgemeester, schrijver en kunstschilder.